Wie is mijn naaste? Een preek over de barmhartige samaritaan
Download(s): Wie is mijn naaste - Tim Keller (mp3)
Lukas 10: 25-37
De eerste 9 hoofdstukken van Lukas gingen over de vraag: wie is Jezus?
De volgende hoofdstukken 9 tot 18 gaan over wat het betekend om Jezus te volgen. Wat betekent het om discipel van Jezus te zijn?
Hoofdstuk 10 begint met het antwoord op die vraag. In de eerste 20 verzen lezen we dat elke discipel een boodschapper is. Een boodschapper van het evangelie die de blijde boodschap uitdraagt en probeert mensen te overtuigen.
Het tweede deel van hoofdstuk 10 laat de andere kant van het discipelschap zien. In plaats van boodschapper van het goede nieuws wordt nu het goede nieuws van barmhartigheid voor het voetlicht gebracht. Gaat het bij de boodschapper nog om het overtuigen van mensen en het uitdelen van de blijde boodschap, nu wordt van ons gevraagd om barmhartigheid te betonen aan iedereen. Of iemand het evangelie aanneemt of niet. Eigenlijk gaan deze twee altijd samen op. Het betonen van barmhartigheid is in feite niets anders dan evangeliseren met daden in plaats van met woorden.
Over het betonen van barmhartigheid komt in de tekst ondermeer naar voren:
1. Jezus geeft ons mandaat om barmhartigheid te betonen
2. De reikwijdte (omvang) van het betonen van barmhartigheid
3. Vanuit welke motivatie betonen we barmhartigheid?
4. De manier - Hoe betonen we barmhartigheid?
1. Mandaat
Voorafgaand aan deze gelijkenis ontmoet Jezus een wetgeleerde. Als wij in onze tijd aan een wetgeleerde denken, denken we aan een rechter of advocaat die kennis heeft van civiel (burgerlijk) recht of van strafrecht. Deze man was een kenner van de religieuse en bijbelse wetgeving. Een theoloog. Hij stelt Jezus een vraag met de bedoeling om hem in de val te laten lopen.
Waarom zou hij dat willen doen?
Omdat Jezus positieve aandacht heeft voor juist die mensen die ongehoorzaam zijn aan Gods wet. Hij heeft aandacht voor zondaars. Hij is zo vriendelijk en open tegen deze mensen. Alsof het geen zondaars zijn! Dit wekt argwaan bij de wetgeleerde. Hij vindt het optreden van Jezus niet getuigen van respect voor de wet. Hij wil Jezus testen en wellicht ontmaskeren als iemand die de wet niet hoog heeft. Daarom stelt hij hem de vraag: wat moet ik doen om het eeuwige leven te verkrijgen? Wat moet ik doen om gered en geaccepteerd te worden door God?
Hij verwacht dat Jezus, vanwege zijn houding ten opzichte van zondaars, zal antwoorden: ach het maakt niet zoveel uit hoe je leeft, God accepteert iedereen. Ga naar Hem en hij zal je liefhebben en voor je zorgen. En dan zal de wetgeleerde hem ontmaskert hebben!
Het loopt anders. Jezus zet voor hem een val en ontmaskert de wetgeleerde. Het verschil is dat Jezus val een val van liefde is. Het is prima om in een val van Jezus terecht te komen.
Hij vraagt de wetgeleerde: vertel me wat in de wet staat, wat lees je daar? Met die vraag kun je twee kanten op. Of je noemt alle ruim 600 wetten uit de Tora, of je geeft een samenvatting. Het is duidelijk dat Jezus daar naar vraagt. Hoe interpreteer jij wat in de wet staat? Waar gaat het in de kern nou echt om? De wetgeleerde geeft dan ook de samenvatting die in die tijd al wijdverbreid geaccepteerd was. De hele wet was samen te vatten in twee principes: heb God lief met heel je hart, met heel je ziel, je kracht en je verstand en heb je naaste lief als jezelf. Denk hier eens verder over na. Want het is van cruciaal belang om te zien wat Jezus hier doet.
Heb God lief met heel je hart, met heel je ziel, je kracht en je verstand. Wat betekent dat?
Aartsbisschop William Temple heeft hierover eens het volgende gezegd. Je religie is wat je doet met je alleen-zijn.
Wat hij bedoelt is dit: als je urenlang op de hoek van een straat staat (om wat voor reden dan ook), en je wacht en je hebt letterlijk niets om te lezen, niets om naar te kijken, of naar te luisteren en niet te doen, als je je gedachten de vrije loop kunt laten, waar denk je dan van nature aan? Waar gaan je gedachten onwillekeurig en automatisch en het liefst heen? Is het God? Is het Zijn majesteit, kracht en liefde voor de mensen? Natuurlijk niet! Je geachten gaan naar andere dingen. Temple zegt: waar je gedachten dan heengaan, dat is jouw echte religie. Dat is het echte geloof van je hart. Dat is je echte god. Dat is hetgene waar je je het meeste druk om maakt. Dat is je geloof.
Dit toepassend op het antwoord van de wetgeleerde zegt Jezus tegen hem: hou zoveel van God dat Hij jouw alleen-zijn domineert. Hou zoveel van God dat je tevreden bent onder alle omstandigheden omdat je altijd hebt wat je het liefste hebt! En dat is nog maar het eerste deel van Gods wet, er komt nog meer...
De tweede is: heb je naaste lief als jezelf.
Wat betekent dat? Voorzie in de behoeften van je naaste met al je kracht, vreugde, snelheid en inzet waarmee je ook voor jezelf zorgt. Wees net zo blij met iets dat je kunt doen om je naaste gelukkig te maken als wanneer je iets voor jezelf doet. Jouw geluk zit in hun geluk opgesloten. Wat jou blij maakt is wat hen blij maakt.
Oh, is dat alles?
Voel je de kracht hiervan?
Als je kijkt naar de verschillende wetten, de honderden regeltjes van de farizeeërs en je kunt elke dag zeggen dat je er een paar of een groot deel van hebt gehouden, dan kan dat ertoe leiden dat je je een goed mens voelt. Maar de hoofdregel van Jezus vertelt waar het in de wet echt om gaat.
Hij zegt dan ook tegen de schriftgeleerde: doe dat en je zal leven. Jezus zegt: vervul deze twee geboden want dat is goed. Het is niet meer dan logisch dat je je Maker op dit niveau lief hebt. Hij geeft je het leven en onderhoudt je elke seconde. Logisch dus.
En het is niet meer dan billijk dat je je naaste behandeld zoals je zelf behandeld wilt worden.
Wat Jezus ook zegt is: de wet is een manier van leven. Niet de weg tot het leven.
Je moet volgens de wet leven maar je zal nooit door de wet gered worden. Dit is directe kritiek op de houding van de farizeeër. Hij snapt dan ook direct wat Jezus bedoeld. Er staat 'hij wilde zichzelf rechtvaardigen'.
Daarom vraagt hij: wie is mijn naaste? Hij zegt eigenlijk: laten we nu redelijk worden want dit kan natuurlijk nooit. Wie is mijn naaste? U bedoelt toch niet iedereen? Laten we het wel even uitvoerbaar houden!
Waarom stelt hij die vraag? Omdat zijn leven gebasseerd is op het idee dat God hem zal aannemen als hij maar deugdzaam genoeg is. Hij krijgt in de gaten dat Jezus hem klem zet. Zodra hij de samenvatting van de wet geeft, blijkt dat het onmogelijk is om dit te volbrengen is. Jezus zegt eigenlijk over de wet 'tuurlijk moet je zo leven, maar als je denkt dat je zo het eeuwige leven kunt verdienen?'
Toch laat hij zich niet uit het veld slaan. ‘Jezus zal niet mijn hele levensverwachting omgooien!’
Hij vraagt Jezus naar zijn naaste. Dat zal toch niet iedereen zijn? Wie dan wel? Geef nou eens de minimale standaard die nodig is om gered te worden? Hoeveel mensenlievendheid moet ik minimaal laten zien om door God geaccepteerd te worden?
En dan antwoord Jezus: dat doet me denken aan een verhaal.
En Jezus vertelt een gelijkenis met een held. De held vindt letterlijk een mens op zijn weg met een aantal basisbehoeften. En hij voorziet in deze noden door daden. De hulp is heel kostbaar, vraagt een groot offer en is gevaarlijk. De held voorziet in een groot aantal noden. Er wordt holistische hulp geboden. Behoeften op het gebied van lichamelijke en geestelijke verzorging. Verder heeft hij financiële problemen, medische zorg nodig en heeft hij een vervoersprobleem. Daarbij is de held een gezworen vijand van de man in nood. Joden en Samaritanen waren de grootste vijanden van elkaar.
Het is belangrijk om te realiseren wat de vraag is die Jezus hier beantwoord met dit verhaal. Wat is de minimale standaard die God van ons vraagt?
En Jezus zegt: ik wil dat je omziet de behoeften van mensen die je normaal zou verachten en mensen die niet geloven wat jij gelooft, en acht slaat op hun praktische, menselijke behoeften en hen met zo’n concrete en opofferende liefde tegemoet treed dat het mensen zal verbazen. Omzien naar de naaste vanuit het evangelie. Ons helpen dient zo kostbaar en zo zelfopofferend te zijn, dat mensen wel moeten gaan vragen naar het evangelie. Want alleen door het evangelie kunnen ze jouw leven verklaren.
De vraag was: geef me de minimale vereisten om door God geaccepteerd te worden als het gaat om het liefhebben van de naaste. Jezus geeft een voorbeeld van bewogenheid voor iedere mens. Dat is de kern van het discipelschap. Voorzien in voedsel en een dak boven het hoofd. Bescherming bieden aan zwakkeren in de samenleving. Het bevrijden van de verdrukten. De essentie van wat het betekent een discipel, een volgeling van Jezus te zijn. Dit is de essentie van het liefhebben van je naaste. Hier gaat het om!
Schapen en bokken
Dit is niet de enige plaats waar gesproken wordt over het discipelschap. Jezus verteld in Mattheüs over het scheiden van de schapen en de bokken. De goede herder zal als rechter scheiding maken tussen de schapen en de bokken. Dat beeld is verklaarbaar als je bedenkt dat herders dat regelmatig doen omdat er nog wel eens dieren tussen de kudde kwamen die op schapen leken maar het in werkelijkheid niet waren. Schapen scheer je wel en geiten scheer je niet.
Tegen de een zal God zeggen 'Jij bent niet een echte gelovige'. En tegen een ander zal Hij zeggen 'jij hebt de bovennatuurlijke genade van God in je leven ervaren'. Hoe zal de rechter de schapen van de bokken kunnen scheiden? Hoe ziet hij het verschil? Jezus antwoord is dat God tegen mensen zal zeggen: jij bent een bok en geen schaap. De mensen zullen antwoorden: hoe bedoeld u? En God zal antwoorden: ik had honger maar je hebt me niet gevoed. Ik was naakt maar je hebt me geen kleren gegeven. Etc.
De mensen zullen zeggen: wanneer was dat dan? Jezus antwoord: elke keer als je geen barmhartigheid hebt betoond aan een van mijn broeders, heb je het ook niet aan mij gedaan.
Jezus vergelijkt het met de vruchten aan een boom. Een boom in juni, vol in het blad met de heerlijkste vruchten staat in schril contrast met een boom met vergeelde bladeren en geen vruchten. Welke van de bomen leeft en welke is dood? Het is wel duidelijk.
Betekent dit dat de boom leeft door de vruchten die eraan hangen? Nee, het toont alleen dat de boom levend is.
Een leven uitgestort in daden van barmhartigheid en zorg voor de armen en zwakken is een onvermijdelijk teken dat je mijn genade kent.
Het geeft geen leven, maar het bewijst dat je Mij hebt ontmoet. .
2. De reikwijdte (omvang) van het betonen van barmhartigheid
Als je dit alles tot je laat doordringen, krijg je dan soms ook niet een meelevend gevoel met de schriftgeleerde? Zo van: Ja maar Jezus, laten we wel redelijk blijven. Kunnen we niet ergens een grens trekken, want anders voel ik me zo schuldig als ik er niet aan voldoe? Maar dat doet Jezus niet. Jezus laat in de gelijkenis, naast het mandaat, ook de omvang zien van het betonen van barmhartigheid.
Er zijn drie manieren waarop wij mensen geneigd zijn om grenzen te trekken. Maar Jezus staat het ons niet toe!
De drie punten waarop wij grenzen aanbrengen is
a. aan wie
b. wanneer
c en hoeveel
a Aan wie we barmhartigheid moeten betonen.
Vanuit onszelf doen we dat makkelijker goed aan mensen die hetzelfde zijn als wij en die we waarderen en die ons waarderen. Dat is heel natuurlijk. We helpen graag mensen waarmee we ons kunnen identificeren. Mensen net als wij.
Jezus zegt 'pas op'. En hij plaatst een jood en een samaritaan, twee grote vijanden van elkaar, in het verhaal om duidelijk te maken dat onze naaste iedereen is die hulp nodig heeft. Jezus zegt 'waag het niet om hier een grens aan te trekken!' Ook onze ergste vijand is behoren we barmhartigheid aan te betonen.
b Wanneer we barmhartigheid moeten betonen.
Vanuit onszelf zijn we geneigd alleen mensen te helpen die getroffen zijn door iets dat buiten hun schuld ligt. Een natuurramp waardoor je huis is weggespoeld bijvoorbeeld.
Maar dat is anders bij mensen waarvan we weten dat ze zich onverantwoordelijk gedragen. Mensen die dom zijn en roekeloos en daardoor in de problemen komen. Die mensen zullen we niet snel geven. Het is hun eigen schuld!
Ik wil best helpen, als het niet hun eigen schuld is. Want anders verdienen ze het niet om geholpen te worden.
In het verhaal van de barmhartige Samaritaan wordt heel duidelijk dat degene die de gewonde man vindt, alle reden had om aan te nemen dat deze het verdient had. Dat het zijn eigen schuld was. Niet omdat hij de man kent maar omdat het om een Jood gaat. Joden en Samaritanen zijn als water en vuur. Beide groepen vonden van de ander dat ze hen onderdrukten. En in die tijd was men veel minder individualistisch ingesteld. Een lid van de ene groep werd dan ook vereenzelvigd met de hele groep en dienovereenkomstig behandeld. De jood op de weg verdiende het dus om te sterven want het was immers iemand van de gehate vijand. En toch reikt de Samaritaan barmhartig uit. En weer zegt Jezus 'waag het niet om grenzen te stellen aan het wanneer!'
Johathan Edwards was een predikant in Engeland en schreef een preek over over de plicht van liefdadigheid aan de armen. Hij schreef dat omdat hem opviel dat bijna alle gemeenteleden redenen hadden bedacht waarom ze niet aan liefdadigheid hoefden te doen. Hij maakte een lijst van alle redenen, met daarbij het antwoord dat de Bijbel daarop geeft. Een paar voorbeelden:
c Hoeveel barmhartigheid we moeten betonen.
We proberen dus wie en wanneer te begrenzen. Een derde punt dat we willen begrenzen is hoeveel hulp we moeten geven. Veel mensen zeggen dat ze graag willen helpen maar dat ze het zich niet kunnen veroorloven. Ze kunnen zelf amper rondkomen.
(22:50)
Het verhaal van de barmhartige Samaritaan speelt zich af op een zeer gevaarlijke weg. Een deel van die weg werd genoemd: de weg van het bloed. Zoveel mensen werden daar overvallen dat het die bijnaam kreeg. De man in het verhaal is ook overvallen en ligt bloedend langs de weg. De leviet en de priester lopen snel langs omdat ze zien dat de man nog niet dood is. Dat betekent voor hen dat de overvallers nog in de buurt zijn. Nu stoppen kan je eigen dood betekenen. Snel doorgaan dus.
Niet de Samaritaan. Als hij stopt riskeert hij alles wat hij heeft, zelfs zijn leven. Daarbij stopt hij niet even om een geldstuk in de man zijn hand te drukken maar hij verzorgt hem en neemt de tijd voor hem!
Jezus geeft daarmee aan dat hij van ons dezelfde barmhartigheid verwacht naar anderen.
Jonathan Edwards gaat ook in op mensen die zeggen dat ze zich die barmhartigheid niet kunnen veroorloven. Wat ze eigenlijk bedoelen is dat ze het zich niet kunnen veroorloven zonder zichzelf in de vingers te snijden. Zonder echt een offer te brengen zodat het gevolgen heeft voor hun eigen levensstandaard.
3. Vanuit welke motivatie betonen we barmhartigheid?
Hoe is het mogelijk dat iemand leeft zoals Jezus het bedoeld? Hoe krijg je mensen zover om op deze wijze te leven? Waar komt het vandaan?
Jezus laat ons de verkeerde en de goede motivatie zien.
De eerste manier om mensen tot barmhartigheid te bewegen is door het benadrukken van de moraal. Zowel seculiere mensen als religieuze mensen bewandelen deze weg.
Seculier: als je een verlicht persoon bent en een progressieve levensstijl hebt dan zorg je voor mensen. Je stemt voor plannen die de armen helpen en je doet vrijwilligerswerk. Pas dan ben je echt een moderne goede verlichte mens.
De religieuze versie is dat we voor de armen moeten zorgen omdat de bijbel dat zegt, of de koran bijvoorbeeld. Elke belangrijke godsdienst legt sterk de nadruk op het helpen van de armen.
Beide benaderingen gaan uit van een schuldgevoel. Voldoe je niet aan de verwachtingen dan ben je niet echt een progressieve persoon of heb je niet echt een goed geloof. En het gaat om de gedachte: zij hebben zo weinig, jij hebt zoveel dus voel je je niet schuldig? Geef het aan de armen! Dat is veel beter.
In de gelijkenis komen naast de Samaritaan twee types langs die nogal uitgesproken zijn als het gaat om het hooghouden van een moraal: een leviet en een priester. Zij zijn degenen die geven aan de armen. Dat is hun taak. Jezus had ook een Farizeeër kunnen opvoeren maar kiest bewust voor deze mannen.
Hij wil laten zien dat mensen die vanwege hun werk of vanwege hun moraal aan de armen geven, niet in staat zijn om de echte barmhartigheid te betonen die hen wat kost. De radicale barmhartigheid waar Jezus om vraagt.
Jezus zegt hier: met moraal kom je niet ver. Voel je je schuldig vanwege je gebrek aan barmhartigheid? Hou daar mee op!
Jezus probeert ook niet om de schriftgeleerde zich schuldig te laten voelen. Hij zegt niet: zie je nu hoe slecht je bent?
Jezus leert wat anders. Dat komt tot uiting door de plek waar Jezus de schriftgeleerde plaatst in de gelijkenis. Stel bijvoorbeeld dat Jezus had gezegd dat ipv de Samaritaan een man de weg afkwam die vergelijkbaar is met de schriftgeleerde. En dat hij na afloop had gezegd: ga heen en doe zoals de man in het verhaal.
De schriftgeleerde had hem uitgelachen. Hij zou gezegd hebben: dat doet toch geen mens! Doe normaal. Dit verhaal is niet realistisch en slaat nergens op! Ik verraad mijn eigen mensen niet!
Maar Jezus plaatst een Israëliet op de plek van de gewonde man. Hij zet de gehate Samaritaan in de positie om te helpen en stelt de vraag: wat als jij de gewonde man was? Wat als jij daar lag dood te bloeden? En wat als je enige hoop op redding komt van een vijand? Iemand die jou niets verschuldigd is. Zou jij genade willen ontvangen?
Jezus geeft dus aan de schriftgeleerde niet een regel: doe dit en je zal behouden worden. Maar hij vraagt: wat als jij afhankelijk bent van genade?
Jezus is op zoek naar zijn hart. Naar het besef dat de schriftgeleerde niet anders is dan de gewonde man. Je bent gered door de genade van iemand die je dat volstrekt niet verschuldigd was.
Je kunt met andere woorden nooit een barmhartige Samaritaan worden als je zelf niet eerst in de positie bent geweest waarin je radicale barmhartigheid nodig hebt.
De vraag van de schriftgeleerde is door Jezus omgedraaid van: wie is mijn naaste naar voor wie ben ik de naaste!
Je houden aan regels zal niet helpen. Je hebt een stuwende kracht vanuit je hart nodig om een naaste te zijn voor een ander. Hoe kom je aan die kracht?
Ieder die de blijde boodschap aanneemt krijgt wat hij nodig heeft.
Het evangelie zegt:
We willen allemaal onszelf rechtvaardigen. Iedereen is daarmee bezig. Het drijft ons op en mat ons af.
In dat kader zei Becky Pipper:
Als we ons hart richten op kracht, je zal geregeerd worden door kracht.
Als je leeft voor de goedkeuring van andere mensen, je zal gevangen worden door de mensen die je wilt behagen.
Leeft je hart voor je familie, je zal een slaaf worden van je familie.
Met andere woorden: alles dat je doet met het doel van zelfrechtvaardiging zal ervoor zorgen dat je een slaaf wordt. Moe en angstig zal je op den duur geestelijk doodgaan.
Maar het evangelie zegt: Jezus kwam op onze weg. Hij was ons niets verschuldigd. Sterker nog: wij zijn hem alles verschuldigd want hij heeft ons gemaakt! En wij proberen voortdurend de baas te worden over ons eigen leven.
En toch: Jezus was met ontferming bewogen. Een sterke uitdrukking.
Hij gaf zijn leven voor ons.
Als je Jezus ziet als jouw barmhartige Samaritaan die alles voor je over heeft dan veranderd dat je leven voor altijd. Dan kun je een begin maken met een barmhartige Samaritaan te zijn voor anderen.
Ten slotte drie dingen:
1. Je moet je zelf afvragen voor wie je je naaste bent. Daarbij is opvallend dat de leviet en de priester de gewonde man zagen en niets deden. De Samaritaan zag hem ook maar bedacht in wat voor een toestand de man was en riskeerde daarna zijn leven en hielp hem. Hij zag, dacht aan hem en trad in contact met hem.
Vooral het denken aan de naaste lieten de twee anderen na. Afgezien van angst waren ze misschien te druk om lang bij hem stil te staan. Wij kunnen ook te druk zijn om na te denken voor wie wij een naaste kunnen zijn. Realiseren we ons bijvoorbeeld dat er genoeg mensen zijn die onder de armoedegrens leven? Als we dan alles voor onszelf houden zijn we net als de leviet en de priester.
Moeten nadenken en actief handelen om een goede naaste/ buurman te zijn.
2. We moeten de blijde boodschap en het betonen van barmhartigheid opnieuw in elkaar vlechten. De blijde boodschap waarbij we zeggen: geloof dit alstublieft! En het betonen van barmhartigheid waarbij we zeggen: ik heb je lief of je het gelooft of niet.
Voorbeeld is de brief van een Romeinse keizer die schrijft aan iemand hoe bijzonder hij de zorg van de christenen vindt. De Griekse mensen zorgen voor hun Griekse armen, de Romeinse voor de Romeinen maar de christenen zorgen voor hun eigen armen én voor alle andere!
3. Jezus praat met een man die wel religieus is maar het evangelie niet gelooft. Hij neemt aan dat hij een racist is. In de gelijkenis voert hij iemand op die een vijand is van de man. De man haat hem vanwege zijn andere afkomst/ ras.
Het zou zo kunnen zijn dat Jezus daarmee aangeeft dat racisme een gevolg is van de wil om jezelf te rechtvaardigen. In de zin van: ik zal laten zien dat ik goed ben en de beste manier om dat te doen is te kijken naar andere volken of culturen en na een vergelijking te constateren: ik ben beter dan hen!
Racisme is erg nauw verbonden aan een hart dat het evangelie niet begrijpt. Het is goed om ons eigen hart te onderzoeken.
Is er nog iemand die zich schuldig voelt? Oke, maar doe dan wat Jezus wil dat je doet met schuldgevoel: realiseer je dat Jezus voor ons de barmhartige samaritaan is die alles opgaf voor ons. Overdenk dit en besef wat het betekent.
terug
Een preek van Tim Keller over de gelijkenis van de barmhartige samaritaan.
Download deze actuele complete preek als mp3. |
De eerste 9 hoofdstukken van Lukas gingen over de vraag: wie is Jezus?
De volgende hoofdstukken 9 tot 18 gaan over wat het betekend om Jezus te volgen. Wat betekent het om discipel van Jezus te zijn?
Hoofdstuk 10 begint met het antwoord op die vraag. In de eerste 20 verzen lezen we dat elke discipel een boodschapper is. Een boodschapper van het evangelie die de blijde boodschap uitdraagt en probeert mensen te overtuigen.
Het tweede deel van hoofdstuk 10 laat de andere kant van het discipelschap zien. In plaats van boodschapper van het goede nieuws wordt nu het goede nieuws van barmhartigheid voor het voetlicht gebracht. Gaat het bij de boodschapper nog om het overtuigen van mensen en het uitdelen van de blijde boodschap, nu wordt van ons gevraagd om barmhartigheid te betonen aan iedereen. Of iemand het evangelie aanneemt of niet. Eigenlijk gaan deze twee altijd samen op. Het betonen van barmhartigheid is in feite niets anders dan evangeliseren met daden in plaats van met woorden.
Over het betonen van barmhartigheid komt in de tekst ondermeer naar voren:
1. Jezus geeft ons mandaat om barmhartigheid te betonen
2. De reikwijdte (omvang) van het betonen van barmhartigheid
3. Vanuit welke motivatie betonen we barmhartigheid?
4. De manier - Hoe betonen we barmhartigheid?
1. Mandaat
Voorafgaand aan deze gelijkenis ontmoet Jezus een wetgeleerde. Als wij in onze tijd aan een wetgeleerde denken, denken we aan een rechter of advocaat die kennis heeft van civiel (burgerlijk) recht of van strafrecht. Deze man was een kenner van de religieuse en bijbelse wetgeving. Een theoloog. Hij stelt Jezus een vraag met de bedoeling om hem in de val te laten lopen.
Waarom zou hij dat willen doen?
Omdat Jezus positieve aandacht heeft voor juist die mensen die ongehoorzaam zijn aan Gods wet. Hij heeft aandacht voor zondaars. Hij is zo vriendelijk en open tegen deze mensen. Alsof het geen zondaars zijn! Dit wekt argwaan bij de wetgeleerde. Hij vindt het optreden van Jezus niet getuigen van respect voor de wet. Hij wil Jezus testen en wellicht ontmaskeren als iemand die de wet niet hoog heeft. Daarom stelt hij hem de vraag: wat moet ik doen om het eeuwige leven te verkrijgen? Wat moet ik doen om gered en geaccepteerd te worden door God?
Hij verwacht dat Jezus, vanwege zijn houding ten opzichte van zondaars, zal antwoorden: ach het maakt niet zoveel uit hoe je leeft, God accepteert iedereen. Ga naar Hem en hij zal je liefhebben en voor je zorgen. En dan zal de wetgeleerde hem ontmaskert hebben!
Het loopt anders. Jezus zet voor hem een val en ontmaskert de wetgeleerde. Het verschil is dat Jezus val een val van liefde is. Het is prima om in een val van Jezus terecht te komen.
Hij vraagt de wetgeleerde: vertel me wat in de wet staat, wat lees je daar? Met die vraag kun je twee kanten op. Of je noemt alle ruim 600 wetten uit de Tora, of je geeft een samenvatting. Het is duidelijk dat Jezus daar naar vraagt. Hoe interpreteer jij wat in de wet staat? Waar gaat het in de kern nou echt om? De wetgeleerde geeft dan ook de samenvatting die in die tijd al wijdverbreid geaccepteerd was. De hele wet was samen te vatten in twee principes: heb God lief met heel je hart, met heel je ziel, je kracht en je verstand en heb je naaste lief als jezelf. Denk hier eens verder over na. Want het is van cruciaal belang om te zien wat Jezus hier doet.
Heb God lief met heel je hart, met heel je ziel, je kracht en je verstand. Wat betekent dat?
Aartsbisschop William Temple heeft hierover eens het volgende gezegd. Je religie is wat je doet met je alleen-zijn.
Wat hij bedoelt is dit: als je urenlang op de hoek van een straat staat (om wat voor reden dan ook), en je wacht en je hebt letterlijk niets om te lezen, niets om naar te kijken, of naar te luisteren en niet te doen, als je je gedachten de vrije loop kunt laten, waar denk je dan van nature aan? Waar gaan je gedachten onwillekeurig en automatisch en het liefst heen? Is het God? Is het Zijn majesteit, kracht en liefde voor de mensen? Natuurlijk niet! Je geachten gaan naar andere dingen. Temple zegt: waar je gedachten dan heengaan, dat is jouw echte religie. Dat is het echte geloof van je hart. Dat is je echte god. Dat is hetgene waar je je het meeste druk om maakt. Dat is je geloof.
Dit toepassend op het antwoord van de wetgeleerde zegt Jezus tegen hem: hou zoveel van God dat Hij jouw alleen-zijn domineert. Hou zoveel van God dat je tevreden bent onder alle omstandigheden omdat je altijd hebt wat je het liefste hebt! En dat is nog maar het eerste deel van Gods wet, er komt nog meer...
De tweede is: heb je naaste lief als jezelf. Wat betekent dat? Voorzie in de behoeften van je naaste met al je kracht, vreugde, snelheid en inzet waarmee je ook voor jezelf zorgt. Wees net zo blij met iets dat je kunt doen om je naaste gelukkig te maken als wanneer je iets voor jezelf doet. Jouw geluk zit in hun geluk opgesloten. Wat jou blij maakt is wat hen blij maakt.
Oh, is dat alles?
Voel je de kracht hiervan?
Als je kijkt naar de verschillende wetten, de honderden regeltjes van de farizeeërs en je kunt elke dag zeggen dat je er een paar of een groot deel van hebt gehouden, dan kan dat ertoe leiden dat je je een goed mens voelt. Maar de hoofdregel van Jezus vertelt waar het in de wet echt om gaat.
Hij zegt dan ook tegen de schriftgeleerde: doe dat en je zal leven. Jezus zegt: vervul deze twee geboden want dat is goed. Het is niet meer dan logisch dat je je Maker op dit niveau lief hebt. Hij geeft je het leven en onderhoudt je elke seconde. Logisch dus.
En het is niet meer dan billijk dat je je naaste behandeld zoals je zelf behandeld wilt worden.
Wat Jezus ook zegt is: de wet is een manier van leven. Niet de weg tot het leven.
Je moet volgens de wet leven maar je zal nooit door de wet gered worden. Dit is directe kritiek op de houding van de farizeeër. Hij snapt dan ook direct wat Jezus bedoeld. Er staat 'hij wilde zichzelf rechtvaardigen'.
Daarom vraagt hij: wie is mijn naaste? Hij zegt eigenlijk: laten we nu redelijk worden want dit kan natuurlijk nooit. Wie is mijn naaste? U bedoelt toch niet iedereen? Laten we het wel even uitvoerbaar houden!
Waarom stelt hij die vraag? Omdat zijn leven gebasseerd is op het idee dat God hem zal aannemen als hij maar deugdzaam genoeg is. Hij krijgt in de gaten dat Jezus hem klem zet. Zodra hij de samenvatting van de wet geeft, blijkt dat het onmogelijk is om dit te volbrengen is. Jezus zegt eigenlijk over de wet 'tuurlijk moet je zo leven, maar als je denkt dat je zo het eeuwige leven kunt verdienen?'
Toch laat hij zich niet uit het veld slaan. ‘Jezus zal niet mijn hele levensverwachting omgooien!’
Hij vraagt Jezus naar zijn naaste. Dat zal toch niet iedereen zijn? Wie dan wel? Geef nou eens de minimale standaard die nodig is om gered te worden? Hoeveel mensenlievendheid moet ik minimaal laten zien om door God geaccepteerd te worden?
En dan antwoord Jezus: dat doet me denken aan een verhaal.
En Jezus vertelt een gelijkenis met een held. De held vindt letterlijk een mens op zijn weg met een aantal basisbehoeften. En hij voorziet in deze noden door daden. De hulp is heel kostbaar, vraagt een groot offer en is gevaarlijk. De held voorziet in een groot aantal noden. Er wordt holistische hulp geboden. Behoeften op het gebied van lichamelijke en geestelijke verzorging. Verder heeft hij financiële problemen, medische zorg nodig en heeft hij een vervoersprobleem. Daarbij is de held een gezworen vijand van de man in nood. Joden en Samaritanen waren de grootste vijanden van elkaar.
Het is belangrijk om te realiseren wat de vraag is die Jezus hier beantwoord met dit verhaal. Wat is de minimale standaard die God van ons vraagt?
En Jezus zegt: ik wil dat je omziet de behoeften van mensen die je normaal zou verachten en mensen die niet geloven wat jij gelooft, en acht slaat op hun praktische, menselijke behoeften en hen met zo’n concrete en opofferende liefde tegemoet treed dat het mensen zal verbazen. Omzien naar de naaste vanuit het evangelie. Ons helpen dient zo kostbaar en zo zelfopofferend te zijn, dat mensen wel moeten gaan vragen naar het evangelie. Want alleen door het evangelie kunnen ze jouw leven verklaren.
De vraag was: geef me de minimale vereisten om door God geaccepteerd te worden als het gaat om het liefhebben van de naaste. Jezus geeft een voorbeeld van bewogenheid voor iedere mens. Dat is de kern van het discipelschap. Voorzien in voedsel en een dak boven het hoofd. Bescherming bieden aan zwakkeren in de samenleving. Het bevrijden van de verdrukten. De essentie van wat het betekent een discipel, een volgeling van Jezus te zijn. Dit is de essentie van het liefhebben van je naaste. Hier gaat het om!
Schapen en bokken
Dit is niet de enige plaats waar gesproken wordt over het discipelschap. Jezus verteld in Mattheüs over het scheiden van de schapen en de bokken. De goede herder zal als rechter scheiding maken tussen de schapen en de bokken. Dat beeld is verklaarbaar als je bedenkt dat herders dat regelmatig doen omdat er nog wel eens dieren tussen de kudde kwamen die op schapen leken maar het in werkelijkheid niet waren. Schapen scheer je wel en geiten scheer je niet.
Tegen de een zal God zeggen 'Jij bent niet een echte gelovige'. En tegen een ander zal Hij zeggen 'jij hebt de bovennatuurlijke genade van God in je leven ervaren'. Hoe zal de rechter de schapen van de bokken kunnen scheiden? Hoe ziet hij het verschil? Jezus antwoord is dat God tegen mensen zal zeggen: jij bent een bok en geen schaap. De mensen zullen antwoorden: hoe bedoeld u? En God zal antwoorden: ik had honger maar je hebt me niet gevoed. Ik was naakt maar je hebt me geen kleren gegeven. Etc.
De mensen zullen zeggen: wanneer was dat dan? Jezus antwoord: elke keer als je geen barmhartigheid hebt betoond aan een van mijn broeders, heb je het ook niet aan mij gedaan.
Jezus vergelijkt het met de vruchten aan een boom. Een boom in juni, vol in het blad met de heerlijkste vruchten staat in schril contrast met een boom met vergeelde bladeren en geen vruchten. Welke van de bomen leeft en welke is dood? Het is wel duidelijk.
Betekent dit dat de boom leeft door de vruchten die eraan hangen? Nee, het toont alleen dat de boom levend is.
Een leven uitgestort in daden van barmhartigheid en zorg voor de armen en zwakken is een onvermijdelijk teken dat je mijn genade kent.
Het geeft geen leven, maar het bewijst dat je Mij hebt ontmoet. .
2. De reikwijdte (omvang) van het betonen van barmhartigheid
Als je dit alles tot je laat doordringen, krijg je dan soms ook niet een meelevend gevoel met de schriftgeleerde? Zo van: Ja maar Jezus, laten we wel redelijk blijven. Kunnen we niet ergens een grens trekken, want anders voel ik me zo schuldig als ik er niet aan voldoe? Maar dat doet Jezus niet. Jezus laat in de gelijkenis, naast het mandaat, ook de omvang zien van het betonen van barmhartigheid.
Er zijn drie manieren waarop wij mensen geneigd zijn om grenzen te trekken. Maar Jezus staat het ons niet toe!
De drie punten waarop wij grenzen aanbrengen is
a. aan wie
b. wanneer
c en hoeveel
a Aan wie we barmhartigheid moeten betonen.
Vanuit onszelf doen we dat makkelijker goed aan mensen die hetzelfde zijn als wij en die we waarderen en die ons waarderen. Dat is heel natuurlijk. We helpen graag mensen waarmee we ons kunnen identificeren. Mensen net als wij.
Jezus zegt 'pas op'. En hij plaatst een jood en een samaritaan, twee grote vijanden van elkaar, in het verhaal om duidelijk te maken dat onze naaste iedereen is die hulp nodig heeft. Jezus zegt 'waag het niet om hier een grens aan te trekken!' Ook onze ergste vijand is behoren we barmhartigheid aan te betonen.
b Wanneer we barmhartigheid moeten betonen.
Vanuit onszelf zijn we geneigd alleen mensen te helpen die getroffen zijn door iets dat buiten hun schuld ligt. Een natuurramp waardoor je huis is weggespoeld bijvoorbeeld.
Maar dat is anders bij mensen waarvan we weten dat ze zich onverantwoordelijk gedragen. Mensen die dom zijn en roekeloos en daardoor in de problemen komen. Die mensen zullen we niet snel geven. Het is hun eigen schuld!
Ik wil best helpen, als het niet hun eigen schuld is. Want anders verdienen ze het niet om geholpen te worden.
In het verhaal van de barmhartige Samaritaan wordt heel duidelijk dat degene die de gewonde man vindt, alle reden had om aan te nemen dat deze het verdient had. Dat het zijn eigen schuld was. Niet omdat hij de man kent maar omdat het om een Jood gaat. Joden en Samaritanen zijn als water en vuur. Beide groepen vonden van de ander dat ze hen onderdrukten. En in die tijd was men veel minder individualistisch ingesteld. Een lid van de ene groep werd dan ook vereenzelvigd met de hele groep en dienovereenkomstig behandeld. De jood op de weg verdiende het dus om te sterven want het was immers iemand van de gehate vijand. En toch reikt de Samaritaan barmhartig uit. En weer zegt Jezus 'waag het niet om grenzen te stellen aan het wanneer!'
Johathan Edwards was een predikant in Engeland en schreef een preek over over de plicht van liefdadigheid aan de armen. Hij schreef dat omdat hem opviel dat bijna alle gemeenteleden redenen hadden bedacht waarom ze niet aan liefdadigheid hoefden te doen. Hij maakte een lijst van alle redenen, met daarbij het antwoord dat de Bijbel daarop geeft. Een paar voorbeelden:
- U zegt 'Ach ze zijn niet echt heel arm. Ik hoef alleen mensen te helpen die het echt nodig hebben, die echt aan de afgrond zitten'. Antwoord: dit klopt niet met het gebod, heb je naaste lief als jezelf. Wij maken ons zorgen ver voor dat we echt noodlijdend worden. We doen wat aan onze situatie om te voorkomen dat we noodlijdend worden. Wij moeten dus onze naaste liefhebben als onszelf!
- Ze hebben het aan zichzelf te danken. Waarom moet ik helpen als ze zich zelf zo onverantwoord gedragen? Antwoord: maar Jezus is naar deze wereld gekomen om jouw te bevrijden van alle je ellende waarin je jezelf hebt gestort hebben. Hij gaf zich helemaal voor jou! Zouden wij niet van mensen moeten houden zoals Jezus van ons houdt (Joh 15:12)? Met andere woorden: Jezus had uit de hemel naar de aarde kunnen kijken en kunnen zeggen 'Ik wil alleen de armen helpen die dat verdienen'. Het had Hem een reis naar deze wereld kunnen besparen. Er is niemand die het verdient!
c Hoeveel barmhartigheid we moeten betonen.
We proberen dus wie en wanneer te begrenzen. Een derde punt dat we willen begrenzen is hoeveel hulp we moeten geven. Veel mensen zeggen dat ze graag willen helpen maar dat ze het zich niet kunnen veroorloven. Ze kunnen zelf amper rondkomen.
(22:50)
Het verhaal van de barmhartige Samaritaan speelt zich af op een zeer gevaarlijke weg. Een deel van die weg werd genoemd: de weg van het bloed. Zoveel mensen werden daar overvallen dat het die bijnaam kreeg. De man in het verhaal is ook overvallen en ligt bloedend langs de weg. De leviet en de priester lopen snel langs omdat ze zien dat de man nog niet dood is. Dat betekent voor hen dat de overvallers nog in de buurt zijn. Nu stoppen kan je eigen dood betekenen. Snel doorgaan dus.
Niet de Samaritaan. Als hij stopt riskeert hij alles wat hij heeft, zelfs zijn leven. Daarbij stopt hij niet even om een geldstuk in de man zijn hand te drukken maar hij verzorgt hem en neemt de tijd voor hem!
Jezus geeft daarmee aan dat hij van ons dezelfde barmhartigheid verwacht naar anderen.
Jonathan Edwards gaat ook in op mensen die zeggen dat ze zich die barmhartigheid niet kunnen veroorloven. Wat ze eigenlijk bedoelen is dat ze het zich niet kunnen veroorloven zonder zichzelf in de vingers te snijden. Zonder echt een offer te brengen zodat het gevolgen heeft voor hun eigen levensstandaard.
3. Vanuit welke motivatie betonen we barmhartigheid?
Hoe is het mogelijk dat iemand leeft zoals Jezus het bedoeld? Hoe krijg je mensen zover om op deze wijze te leven? Waar komt het vandaan?
Jezus laat ons de verkeerde en de goede motivatie zien.
De eerste manier om mensen tot barmhartigheid te bewegen is door het benadrukken van de moraal. Zowel seculiere mensen als religieuze mensen bewandelen deze weg.
Seculier: als je een verlicht persoon bent en een progressieve levensstijl hebt dan zorg je voor mensen. Je stemt voor plannen die de armen helpen en je doet vrijwilligerswerk. Pas dan ben je echt een moderne goede verlichte mens.
De religieuze versie is dat we voor de armen moeten zorgen omdat de bijbel dat zegt, of de koran bijvoorbeeld. Elke belangrijke godsdienst legt sterk de nadruk op het helpen van de armen.
Beide benaderingen gaan uit van een schuldgevoel. Voldoe je niet aan de verwachtingen dan ben je niet echt een progressieve persoon of heb je niet echt een goed geloof. En het gaat om de gedachte: zij hebben zo weinig, jij hebt zoveel dus voel je je niet schuldig? Geef het aan de armen! Dat is veel beter.
In de gelijkenis komen naast de Samaritaan twee types langs die nogal uitgesproken zijn als het gaat om het hooghouden van een moraal: een leviet en een priester. Zij zijn degenen die geven aan de armen. Dat is hun taak. Jezus had ook een Farizeeër kunnen opvoeren maar kiest bewust voor deze mannen.
Hij wil laten zien dat mensen die vanwege hun werk of vanwege hun moraal aan de armen geven, niet in staat zijn om de echte barmhartigheid te betonen die hen wat kost. De radicale barmhartigheid waar Jezus om vraagt.
Jezus zegt hier: met moraal kom je niet ver. Voel je je schuldig vanwege je gebrek aan barmhartigheid? Hou daar mee op!
Jezus probeert ook niet om de schriftgeleerde zich schuldig te laten voelen. Hij zegt niet: zie je nu hoe slecht je bent?
Jezus leert wat anders. Dat komt tot uiting door de plek waar Jezus de schriftgeleerde plaatst in de gelijkenis. Stel bijvoorbeeld dat Jezus had gezegd dat ipv de Samaritaan een man de weg afkwam die vergelijkbaar is met de schriftgeleerde. En dat hij na afloop had gezegd: ga heen en doe zoals de man in het verhaal.
De schriftgeleerde had hem uitgelachen. Hij zou gezegd hebben: dat doet toch geen mens! Doe normaal. Dit verhaal is niet realistisch en slaat nergens op! Ik verraad mijn eigen mensen niet!
Maar Jezus plaatst een Israëliet op de plek van de gewonde man. Hij zet de gehate Samaritaan in de positie om te helpen en stelt de vraag: wat als jij de gewonde man was? Wat als jij daar lag dood te bloeden? En wat als je enige hoop op redding komt van een vijand? Iemand die jou niets verschuldigd is. Zou jij genade willen ontvangen?
Jezus geeft dus aan de schriftgeleerde niet een regel: doe dit en je zal behouden worden. Maar hij vraagt: wat als jij afhankelijk bent van genade?
Jezus is op zoek naar zijn hart. Naar het besef dat de schriftgeleerde niet anders is dan de gewonde man. Je bent gered door de genade van iemand die je dat volstrekt niet verschuldigd was.
Je kunt met andere woorden nooit een barmhartige Samaritaan worden als je zelf niet eerst in de positie bent geweest waarin je radicale barmhartigheid nodig hebt.
De vraag van de schriftgeleerde is door Jezus omgedraaid van: wie is mijn naaste naar voor wie ben ik de naaste!
Je houden aan regels zal niet helpen. Je hebt een stuwende kracht vanuit je hart nodig om een naaste te zijn voor een ander. Hoe kom je aan die kracht?
Ieder die de blijde boodschap aanneemt krijgt wat hij nodig heeft.
Het evangelie zegt:
We willen allemaal onszelf rechtvaardigen. Iedereen is daarmee bezig. Het drijft ons op en mat ons af.
In dat kader zei Becky Pipper:
Als we ons hart richten op kracht, je zal geregeerd worden door kracht.
Als je leeft voor de goedkeuring van andere mensen, je zal gevangen worden door de mensen die je wilt behagen.
Leeft je hart voor je familie, je zal een slaaf worden van je familie.
Met andere woorden: alles dat je doet met het doel van zelfrechtvaardiging zal ervoor zorgen dat je een slaaf wordt. Moe en angstig zal je op den duur geestelijk doodgaan.
Maar het evangelie zegt: Jezus kwam op onze weg. Hij was ons niets verschuldigd. Sterker nog: wij zijn hem alles verschuldigd want hij heeft ons gemaakt! En wij proberen voortdurend de baas te worden over ons eigen leven.
En toch: Jezus was met ontferming bewogen. Een sterke uitdrukking.
Hij gaf zijn leven voor ons.
Als je Jezus ziet als jouw barmhartige Samaritaan die alles voor je over heeft dan veranderd dat je leven voor altijd. Dan kun je een begin maken met een barmhartige Samaritaan te zijn voor anderen.
Ten slotte drie dingen:
1. Je moet je zelf afvragen voor wie je je naaste bent. Daarbij is opvallend dat de leviet en de priester de gewonde man zagen en niets deden. De Samaritaan zag hem ook maar bedacht in wat voor een toestand de man was en riskeerde daarna zijn leven en hielp hem. Hij zag, dacht aan hem en trad in contact met hem.
Vooral het denken aan de naaste lieten de twee anderen na. Afgezien van angst waren ze misschien te druk om lang bij hem stil te staan. Wij kunnen ook te druk zijn om na te denken voor wie wij een naaste kunnen zijn. Realiseren we ons bijvoorbeeld dat er genoeg mensen zijn die onder de armoedegrens leven? Als we dan alles voor onszelf houden zijn we net als de leviet en de priester.
Moeten nadenken en actief handelen om een goede naaste/ buurman te zijn.
2. We moeten de blijde boodschap en het betonen van barmhartigheid opnieuw in elkaar vlechten. De blijde boodschap waarbij we zeggen: geloof dit alstublieft! En het betonen van barmhartigheid waarbij we zeggen: ik heb je lief of je het gelooft of niet.
Voorbeeld is de brief van een Romeinse keizer die schrijft aan iemand hoe bijzonder hij de zorg van de christenen vindt. De Griekse mensen zorgen voor hun Griekse armen, de Romeinse voor de Romeinen maar de christenen zorgen voor hun eigen armen én voor alle andere!
3. Jezus praat met een man die wel religieus is maar het evangelie niet gelooft. Hij neemt aan dat hij een racist is. In de gelijkenis voert hij iemand op die een vijand is van de man. De man haat hem vanwege zijn andere afkomst/ ras.
Het zou zo kunnen zijn dat Jezus daarmee aangeeft dat racisme een gevolg is van de wil om jezelf te rechtvaardigen. In de zin van: ik zal laten zien dat ik goed ben en de beste manier om dat te doen is te kijken naar andere volken of culturen en na een vergelijking te constateren: ik ben beter dan hen!
Racisme is erg nauw verbonden aan een hart dat het evangelie niet begrijpt. Het is goed om ons eigen hart te onderzoeken.
Is er nog iemand die zich schuldig voelt? Oke, maar doe dan wat Jezus wil dat je doet met schuldgevoel: realiseer je dat Jezus voor ons de barmhartige samaritaan is die alles opgaf voor ons. Overdenk dit en besef wat het betekent.
terug

Download deze actuele complete preek als mp3.