Geven doet pijn (Preek van Tim Keller)
Download(s): Geven doet pijn (preek van Tim Keller), Geven doet pijn - Tim Keller (mp3)
Habakuk vertelt ons hoe wij moeten omgaan met moeilijke tijden, of het nu om een wereldwijde crisis of om persoonlijke problemen gaat. Aan het slot van Habakuk 3 lezen wij prachtige poëzie. Hier zegt Habakuk in feite het volgende: ook als geen van je gebeden verhoord lijkt te worden en alles je lijkt te ontvallen, is het mogelijk een vreugdevol leven te leiden.
,,Al zal de vijgenboom niet bloeien,
al zal de wijnstok niets voortbrengen,
al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen,
al zal er geen koren op de akkers staan,
al zal er geen schaap meer in de kooien zijn
en geen rund meer binnen de omheining –
toch zal ik juichen voor de Heer,
jubelen voor de God die mij redt.
God, de Heer, is mijn kracht,
Hij maakt mijn voeten snel als hinden,
Hij laat mij over mijn bergen gaan.’’
Wij zullen in deze serie over Habakuk en de crisis (lees ook de preken in de drie voorgaande edities van cvkoers) twee keer naar deze tekst kijken. Volgende keer staan wij stil bij de algemene toepassing van dit gedeelte. Dit keer aandacht voor de specifieke toepassing van de tekst.
Habakuk beschrijft hier een economische ramp. De vijgenboom, de wijnstok, de olijfboom, het koren: het zijn de vier manieren waarop het land vrucht bracht. Hierdoor had de bevolking van Israël te eten en vergaarde men rijkdom. Mensen investeerden toentertijd niet in aandelen, maar in hun land en in hun kudde. En wat lezen wij? Niets blijft er van hun investeringen over. Niets van het gewas, niets van het vee. Al de investeringen zijn verdwenen. Habakuk vraagt nu: hoe gaan we hiermee om? En juist nu, in een tijd van grote recessie, lijkt dit ook een goede vraag aan ons.
In het Oude Testament staat dat de bevolking de eerste vruchten van de oogst moest offeren aan God. Maar nu heeft Habakuk het erover dat er helemaal geen oogst is. Om te begrijpen in welke context hij dit zegt, is het goed om te kijken naar Deuteronomium 26. Hier vinden wij namelijk de richtlijnen voor het geven van gaven. Wij leren drie dingen over het geven van ons geld:
We moeten zo geven dat het pijn doet.
We moeten geven met vreugde.
We moeten gul geven.
Geven met pijn
In Deuteronomium 26:2 staat: ,,U zult er de oogst kunnen binnenhalen. Als u daarvan dan het eerste en beste deel in een mand meeneemt naar de plaats die de Heer, uw God, zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen...’’
In die tijd kwam vrijwel al het inkomen van een boer binnen in het oogstseizoen. Maanden en seizoenen ervoor startte je de voorbereidingen, en in korte tijd haalde je al je oogst binnen. Pas als alles binnen was, wist je hoeveel je dat jaar verdiend had.
De meesten van ons zijn geen boer. Toch is er voor velen wel een gelijkenis. Neem investeerders. Eens in het jaar wordt duidelijk hoeveel een investering heeft opgebracht. Eens in het jaar worden deze bonussen al dan niet uitgekeerd. Wat voor effect heeft dit op ons geefgedrag? Wij wachten tot de oogst binnen is en berekenen vervolgens hoeveel wij kunnen weggeven aan de armen en aan diverse organisaties. Maar dat is niet wat God ons zegt te doen… Wij kijken wat wij willen geven als wij weten wat er binnenkomt. Maar God zegt dat wij ons eerste en beste deel moeten weggeven. Dit betekende dat de boer na een paar dagen het eerste deel van zijn oogst aan God offerde. Op dat moment wist hij nog niet hoe groot de oogst uiteindelijk zou worden.
Het gaat om het volgende principe. Als je wacht totdat de hele oogst binnen is, is wat je God uiteindelijk geeft het ‘overschot’. Het overschot is dat deel dat je kunt missen, zonder dat het van invloed is op je manier van leven. Je kunt blijven kopen wat je altijd hebt willen kopen, je kunt je kleden zoals je je altijd hebt willen kleden, je kunt de reizen blijven maken die je altijd hebt willen maken. Maar God wil niet dat wij onze restjes aan Hem geven. Hij wil het eerste deel. Hij wil dat wij zo veel geven dat het pijn doet. Dat je een echt offer brengt. Of ook: dat je gift je levensstijl verandert. Anders geef je niet zoals je zou moeten geven.
Zie je hoe relevant dit juist in moeilijke tijden is? In goede tijden is er genoeg overschot. Wij verdienen genoeg geld om weg te geven aan de kerk en de armen. Maar in tijden van schaarste…? Dan houden wij niets over.
Als wij leren om altijd het eerste van onze oogst te geven, zal een moeilijke tijd hier geen verandering in brengen. Maar als wij onszelf aanleren te geven van ons overschot, zullen wij in moeilijke tijden niets meer geven. Samengevat: ons geefgedrag moet van invloed zijn op onze manier van leven.
Geven met vreugde
Dan nu het tweede punt: wij moeten met vreugde geven. Dat betekent dus niet alleen geven omdat het nu eenmaal van ons gevraagd wordt… In Deuteronomium 26:4-10 lezen wij het volgende: ,,Als de priester de mand in ontvangst heeft genomen en die voor het altaar van de Heer, uw God, heeft neergezet, moet u het volgende voor de Heer belijden: ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. Toen klaagden we de Heer, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. En de Heer bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen. Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing. Heer, hierbij breng ik U de eerste opbrengst van het land dat U me gegeven hebt.’ Bied de Heer, uw God, zo uw gaven aan en kniel voor Hem neer.’’
Wat dit betekent? Wij werken waarschijnlijk allemaal hard voor ons inkomen. Maar dat wij überhaupt oogst kunnen binnenhalen, is te danken aan het feit dat wij ons stuk land gekregen hebben als geschenk. Uit eigen kracht waren wij nooit bevrijd van de slavernij in Egypte. Maar God kwam in ons leven. Hij greep op wonderlijke wijze in. God heeft ons gered. Wij zijn niet gered door onze goede werken. Niet door wat wij hebben gedaan, maar door wat Hij deed. Het is allemaal Gods genade. En daarom is het land dat ik bezit Gods genade. God staat ons niet toe dat wij slechts geven. Hij wil dat wij onze giften koppelen aan het Evangelie. Alles wat wij hebben, is een gift.
Ja, maar… Ik ben geen Israëliet. Ik ben geen boer. Slaat dit wel op mij? Nou en of! De bezittingen die je hebt, zijn niet werkelijk van jou. ,,Ja, maar ik heb er hard voor gewerkt…’’ Natuurlijk. Maar waarmee? Met je talenten. Maar besef je ook van wie je die talenten gekregen hebt? Stel nu eens dat je was geboren in een berggehucht ergens in Mongolië… Hoe hard je ook zou hebben gewerkt, je zou nog steeds arm zijn geweest. Het is God die de deuren voor je opent. Door waar je geboren bent. Hoe gezond je bent. Welke talenten je hebt. Alles wat je hebt, is een geschenk. Als je dit beseft, zul je radicaal, met vreugde, kunnen geven. Door het zien van Gods genade zul je anders gaan geven.
Als ik zeg dat wij zo zouden moeten geven dat het pijn doet, dan heb ik het over de pijn van je budget, van je levensstijl. Niet over de pijn van je hart. Want je geeft het met vreugde. In Matteüs 6 zegt Jezus: ,,Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde: mot en roest vreten ze weg en dieven breken in om ze te stelen. Verzamel schatten in de hemel, daar vreten mot noch roest ze weg, daar breken geen dieven in om ze te stelen. Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.’’
Jezus zegt dat waar onze schat is, ons hart is. Ons geld gaat het gemakkelijkst naar datgene wat ons na aan het hart ligt. Wij geven met vreugde geld uit aan dingen waar ons hart naar uitgaat. Stel nu eens dat je totaal niet van voetbal houdt. Maar je kinderen zijn er gek op. Daarom neem je hen zo nu en dan mee naar een wedstrijd van hun favoriete club. Maar elke keer als je de prijs van de kaartjes ziet, doet het je pijn. Ongelooflijk – denk je – dat je dit absurde bedrag neerlegt voor een potje voetbal…
Maar wat nu als je zelf een groot voetballiefhebber bent? Wat kan het jou dan schelen hoe duur een kaartje is? Als je jouw club maar in actie kunt zien! Het voelt niet eens alsof je geld aan het uitgeven bent. Als je hart ergens naar uitgaat, moet je zelfs uitkijken dat je er niet te veel geld aan uitgeeft.
Als je het leuk vindt om geld weg te geven aan mensen die het nodig hebben, dan weet je dat je iets van Gods genade hebt geproefd en dat je niet uit plicht geeft. Zo geven dat het pijn doet, zal dan een vreugde zijn. Het gaat erom of je een persoonlijke of onpersoonlijke relatie met God hebt. Daarin zit het verschil. Als je niet met vreugde kunt geven terwijl het pijn doet, weet je dat er iets mis is in je relatie met God.
Gul geven
Habakuk tilt alles wat wij zojuist gezegd hebben naar een hoger niveau. Hij stelt namelijk de vraag: wat nu als er zelfs geen eerste vruchten zijn omdat er helemaal geen oogst is? Wat nu als er helemaal geen eten is en wij dreigen om te komen van de honger?
Er zijn genoeg volgelingen van Jezus die te maken hebben gehad met ernstig lijden. Lijden waarin zij niets meer hadden. Ik heb het niet over bankroet zijn, maar over hongersnood en vervolging. Habakuk zegt dat het zelfs in die omstandigheden mogelijk is van God je schat te maken. Om bij Hem je rust te vinden en je in Hem te verheugen.
Hoe dit kan? Door te beseffen dat alles wat je werkelijk nodig hebt, je redding is. Ik kan mijn vreugde in God behouden, ook als al het andere van mij wordt afgenomen. Op dit punt zullen veel rationele mensen zeggen dat Habakuk gelijk heeft, maar dat zij niet weten hoe zij dit in praktijk zouden moeten brengen. Ik weet dat ik mij in God moet verheugen, ook als het fout gaat. Maar ook al heb ik het geprobeerd, ik zou niet weten hoe dit moet.
Wij kunnen dit niet, zoals wij ook niet in staat zijn voorbij deze tekst te kijken. Word jij geïnspireerd door het voorbeeld van Habakuk? Ik word er zelf eerder door verdrukt. Het is te hoog. Ik kan hier nooit aan voldoen. Als ik zie hoe Habakuk leeft, ook als alles hem lijkt te zijn afgenomen, kan ik alleen maar stil worden. Wat hij doet, kan ik nooit!
Als jij naar Habakuk kijkt, zul je ditzelfde gevoel hebben. Ook jij kunt het niet. Je zult het alleen kunnen als je ziet naar wie Habakuk wijst. Dát zal je hart veranderen. Habakuk verwijst uiteraard naar Jezus. Jezus had aan het eind van zijn leven slechts één bezit. Maar zelfs het kleed dat Hij omhad, werd van Hem afgerukt. En aan het kruis werd zelfs de liefde van zijn Vader Hem afgenomen. In Jezus Christus hebben wij iemand zonder bankrekening, zonder bezittingen. En toch… Aan het kruis roept Hij: ,,Mijn God, mijn God...’’ Dat is verbondstaal. De belofte dat God onze God zal zijn. Jezus blijft op God vertrouwen, ook nu alles van Hem is afgenomen.
En hier is het geheim: Jezus heeft dit doorstaan voor jou en mij. Aan het kruis werd alles van Hem afgenomen, om ons te redden. God gaf zijn dierbaarste bezit: zijn enige Zoon. De drie-enige God gaf zichzelf. Jezus gaf zo veel dat het niet zijn levensstijl veranderde, Hij gaf zijn leven zélf! En dat deed Hij voor jou!
Als je dat leert zien, zal het je hart veranderen. Hij zal jouw schat worden. En daardoor zal het een vreugde worden om zo gul aan Hem te geven dat het pijn doet.
Bron: CV Koers november 2009
Tim Keller is predikant van de Redeemer Presbyterian Church in Manhattan, New York. Op www.cvkoers.nl vind je meer preken van hem.
terug
God neemt geen genoegen met onze restjes. Hij wil dat wij Hem het beste geven. Zelfs in tijden van crisis.
Bewerking van een preek van Tim Keller over Habakuk 3:17-19 & Deuteronomium 26:1-11Habakuk vertelt ons hoe wij moeten omgaan met moeilijke tijden, of het nu om een wereldwijde crisis of om persoonlijke problemen gaat. Aan het slot van Habakuk 3 lezen wij prachtige poëzie. Hier zegt Habakuk in feite het volgende: ook als geen van je gebeden verhoord lijkt te worden en alles je lijkt te ontvallen, is het mogelijk een vreugdevol leven te leiden.
Download deze actuele complete preek als mp3. |
al zal de wijnstok niets voortbrengen,
al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen,
al zal er geen koren op de akkers staan,
al zal er geen schaap meer in de kooien zijn
en geen rund meer binnen de omheining –
toch zal ik juichen voor de Heer,
jubelen voor de God die mij redt.
God, de Heer, is mijn kracht,
Hij maakt mijn voeten snel als hinden,
Hij laat mij over mijn bergen gaan.’’
Wij zullen in deze serie over Habakuk en de crisis (lees ook de preken in de drie voorgaande edities van cvkoers) twee keer naar deze tekst kijken. Volgende keer staan wij stil bij de algemene toepassing van dit gedeelte. Dit keer aandacht voor de specifieke toepassing van de tekst.
Habakuk beschrijft hier een economische ramp. De vijgenboom, de wijnstok, de olijfboom, het koren: het zijn de vier manieren waarop het land vrucht bracht. Hierdoor had de bevolking van Israël te eten en vergaarde men rijkdom. Mensen investeerden toentertijd niet in aandelen, maar in hun land en in hun kudde. En wat lezen wij? Niets blijft er van hun investeringen over. Niets van het gewas, niets van het vee. Al de investeringen zijn verdwenen. Habakuk vraagt nu: hoe gaan we hiermee om? En juist nu, in een tijd van grote recessie, lijkt dit ook een goede vraag aan ons.
In het Oude Testament staat dat de bevolking de eerste vruchten van de oogst moest offeren aan God. Maar nu heeft Habakuk het erover dat er helemaal geen oogst is. Om te begrijpen in welke context hij dit zegt, is het goed om te kijken naar Deuteronomium 26. Hier vinden wij namelijk de richtlijnen voor het geven van gaven. Wij leren drie dingen over het geven van ons geld:
We moeten zo geven dat het pijn doet.
We moeten geven met vreugde.
We moeten gul geven.
Geven met pijn
In Deuteronomium 26:2 staat: ,,U zult er de oogst kunnen binnenhalen. Als u daarvan dan het eerste en beste deel in een mand meeneemt naar de plaats die de Heer, uw God, zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen...’’
In die tijd kwam vrijwel al het inkomen van een boer binnen in het oogstseizoen. Maanden en seizoenen ervoor startte je de voorbereidingen, en in korte tijd haalde je al je oogst binnen. Pas als alles binnen was, wist je hoeveel je dat jaar verdiend had.
De meesten van ons zijn geen boer. Toch is er voor velen wel een gelijkenis. Neem investeerders. Eens in het jaar wordt duidelijk hoeveel een investering heeft opgebracht. Eens in het jaar worden deze bonussen al dan niet uitgekeerd. Wat voor effect heeft dit op ons geefgedrag? Wij wachten tot de oogst binnen is en berekenen vervolgens hoeveel wij kunnen weggeven aan de armen en aan diverse organisaties. Maar dat is niet wat God ons zegt te doen… Wij kijken wat wij willen geven als wij weten wat er binnenkomt. Maar God zegt dat wij ons eerste en beste deel moeten weggeven. Dit betekende dat de boer na een paar dagen het eerste deel van zijn oogst aan God offerde. Op dat moment wist hij nog niet hoe groot de oogst uiteindelijk zou worden.
Het gaat om het volgende principe. Als je wacht totdat de hele oogst binnen is, is wat je God uiteindelijk geeft het ‘overschot’. Het overschot is dat deel dat je kunt missen, zonder dat het van invloed is op je manier van leven. Je kunt blijven kopen wat je altijd hebt willen kopen, je kunt je kleden zoals je je altijd hebt willen kleden, je kunt de reizen blijven maken die je altijd hebt willen maken. Maar God wil niet dat wij onze restjes aan Hem geven. Hij wil het eerste deel. Hij wil dat wij zo veel geven dat het pijn doet. Dat je een echt offer brengt. Of ook: dat je gift je levensstijl verandert. Anders geef je niet zoals je zou moeten geven.
Zie je hoe relevant dit juist in moeilijke tijden is? In goede tijden is er genoeg overschot. Wij verdienen genoeg geld om weg te geven aan de kerk en de armen. Maar in tijden van schaarste…? Dan houden wij niets over.
Als wij leren om altijd het eerste van onze oogst te geven, zal een moeilijke tijd hier geen verandering in brengen. Maar als wij onszelf aanleren te geven van ons overschot, zullen wij in moeilijke tijden niets meer geven. Samengevat: ons geefgedrag moet van invloed zijn op onze manier van leven.
Geven met vreugde
Dan nu het tweede punt: wij moeten met vreugde geven. Dat betekent dus niet alleen geven omdat het nu eenmaal van ons gevraagd wordt… In Deuteronomium 26:4-10 lezen wij het volgende: ,,Als de priester de mand in ontvangst heeft genomen en die voor het altaar van de Heer, uw God, heeft neergezet, moet u het volgende voor de Heer belijden: ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. Toen klaagden we de Heer, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. En de Heer bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen. Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing. Heer, hierbij breng ik U de eerste opbrengst van het land dat U me gegeven hebt.’ Bied de Heer, uw God, zo uw gaven aan en kniel voor Hem neer.’’
Wat dit betekent? Wij werken waarschijnlijk allemaal hard voor ons inkomen. Maar dat wij überhaupt oogst kunnen binnenhalen, is te danken aan het feit dat wij ons stuk land gekregen hebben als geschenk. Uit eigen kracht waren wij nooit bevrijd van de slavernij in Egypte. Maar God kwam in ons leven. Hij greep op wonderlijke wijze in. God heeft ons gered. Wij zijn niet gered door onze goede werken. Niet door wat wij hebben gedaan, maar door wat Hij deed. Het is allemaal Gods genade. En daarom is het land dat ik bezit Gods genade. God staat ons niet toe dat wij slechts geven. Hij wil dat wij onze giften koppelen aan het Evangelie. Alles wat wij hebben, is een gift.
Ja, maar… Ik ben geen Israëliet. Ik ben geen boer. Slaat dit wel op mij? Nou en of! De bezittingen die je hebt, zijn niet werkelijk van jou. ,,Ja, maar ik heb er hard voor gewerkt…’’ Natuurlijk. Maar waarmee? Met je talenten. Maar besef je ook van wie je die talenten gekregen hebt? Stel nu eens dat je was geboren in een berggehucht ergens in Mongolië… Hoe hard je ook zou hebben gewerkt, je zou nog steeds arm zijn geweest. Het is God die de deuren voor je opent. Door waar je geboren bent. Hoe gezond je bent. Welke talenten je hebt. Alles wat je hebt, is een geschenk. Als je dit beseft, zul je radicaal, met vreugde, kunnen geven. Door het zien van Gods genade zul je anders gaan geven.
Als ik zeg dat wij zo zouden moeten geven dat het pijn doet, dan heb ik het over de pijn van je budget, van je levensstijl. Niet over de pijn van je hart. Want je geeft het met vreugde. In Matteüs 6 zegt Jezus: ,,Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde: mot en roest vreten ze weg en dieven breken in om ze te stelen. Verzamel schatten in de hemel, daar vreten mot noch roest ze weg, daar breken geen dieven in om ze te stelen. Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.’’
Jezus zegt dat waar onze schat is, ons hart is. Ons geld gaat het gemakkelijkst naar datgene wat ons na aan het hart ligt. Wij geven met vreugde geld uit aan dingen waar ons hart naar uitgaat. Stel nu eens dat je totaal niet van voetbal houdt. Maar je kinderen zijn er gek op. Daarom neem je hen zo nu en dan mee naar een wedstrijd van hun favoriete club. Maar elke keer als je de prijs van de kaartjes ziet, doet het je pijn. Ongelooflijk – denk je – dat je dit absurde bedrag neerlegt voor een potje voetbal…
Maar wat nu als je zelf een groot voetballiefhebber bent? Wat kan het jou dan schelen hoe duur een kaartje is? Als je jouw club maar in actie kunt zien! Het voelt niet eens alsof je geld aan het uitgeven bent. Als je hart ergens naar uitgaat, moet je zelfs uitkijken dat je er niet te veel geld aan uitgeeft.
Als je het leuk vindt om geld weg te geven aan mensen die het nodig hebben, dan weet je dat je iets van Gods genade hebt geproefd en dat je niet uit plicht geeft. Zo geven dat het pijn doet, zal dan een vreugde zijn. Het gaat erom of je een persoonlijke of onpersoonlijke relatie met God hebt. Daarin zit het verschil. Als je niet met vreugde kunt geven terwijl het pijn doet, weet je dat er iets mis is in je relatie met God.
Gul geven
Habakuk tilt alles wat wij zojuist gezegd hebben naar een hoger niveau. Hij stelt namelijk de vraag: wat nu als er zelfs geen eerste vruchten zijn omdat er helemaal geen oogst is? Wat nu als er helemaal geen eten is en wij dreigen om te komen van de honger?
Er zijn genoeg volgelingen van Jezus die te maken hebben gehad met ernstig lijden. Lijden waarin zij niets meer hadden. Ik heb het niet over bankroet zijn, maar over hongersnood en vervolging. Habakuk zegt dat het zelfs in die omstandigheden mogelijk is van God je schat te maken. Om bij Hem je rust te vinden en je in Hem te verheugen.
Hoe dit kan? Door te beseffen dat alles wat je werkelijk nodig hebt, je redding is. Ik kan mijn vreugde in God behouden, ook als al het andere van mij wordt afgenomen. Op dit punt zullen veel rationele mensen zeggen dat Habakuk gelijk heeft, maar dat zij niet weten hoe zij dit in praktijk zouden moeten brengen. Ik weet dat ik mij in God moet verheugen, ook als het fout gaat. Maar ook al heb ik het geprobeerd, ik zou niet weten hoe dit moet.
Wij kunnen dit niet, zoals wij ook niet in staat zijn voorbij deze tekst te kijken. Word jij geïnspireerd door het voorbeeld van Habakuk? Ik word er zelf eerder door verdrukt. Het is te hoog. Ik kan hier nooit aan voldoen. Als ik zie hoe Habakuk leeft, ook als alles hem lijkt te zijn afgenomen, kan ik alleen maar stil worden. Wat hij doet, kan ik nooit!
Als jij naar Habakuk kijkt, zul je ditzelfde gevoel hebben. Ook jij kunt het niet. Je zult het alleen kunnen als je ziet naar wie Habakuk wijst. Dát zal je hart veranderen. Habakuk verwijst uiteraard naar Jezus. Jezus had aan het eind van zijn leven slechts één bezit. Maar zelfs het kleed dat Hij omhad, werd van Hem afgerukt. En aan het kruis werd zelfs de liefde van zijn Vader Hem afgenomen. In Jezus Christus hebben wij iemand zonder bankrekening, zonder bezittingen. En toch… Aan het kruis roept Hij: ,,Mijn God, mijn God...’’ Dat is verbondstaal. De belofte dat God onze God zal zijn. Jezus blijft op God vertrouwen, ook nu alles van Hem is afgenomen.
En hier is het geheim: Jezus heeft dit doorstaan voor jou en mij. Aan het kruis werd alles van Hem afgenomen, om ons te redden. God gaf zijn dierbaarste bezit: zijn enige Zoon. De drie-enige God gaf zichzelf. Jezus gaf zo veel dat het niet zijn levensstijl veranderde, Hij gaf zijn leven zélf! En dat deed Hij voor jou!
Als je dat leert zien, zal het je hart veranderen. Hij zal jouw schat worden. En daardoor zal het een vreugde worden om zo gul aan Hem te geven dat het pijn doet.
Bron: CV Koers november 2009
Tim Keller is predikant van de Redeemer Presbyterian Church in Manhattan, New York. Op www.cvkoers.nl vind je meer preken van hem.
terug

Download deze actuele complete preek als mp3.