Ik was een vreemdeling en jullie namen mij op

Rot op naar je eigen land. Ik heb de EO-serie van vier afleveringen in januari met grote belangstelling gevolgd. Goede televisie, nergens gemakkelijke antwoorden. En steeds speelde door mijn achterhoofd: Als ze mij nou eens gevraagd hadden om mee te doen? Hoe zou ik gereageerd hebben? Laat ze allemaal maar komen, Nederland is nog lang niet vol? En wij hebben thuis nog wel een paar kamers en bedden over, van harte welkom in mijn huis?

199572260_37261b946e_b

De woorden van Jezus uit Matteüs 25 komen in deze context al snel naar boven: ‘Ik was een vreemdeling, en jullie namen me op (…) alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor Mij gedaan.’

Mooi als grondhouding, maar dan de praktijk: 23.970 vluchtelingen vroegen vorig jaar asiel aan en niet allemaal waren ze even onaanzienlijk. Daar begint het al mee: moet ik dan onderscheid maken tussen wie Jezus hier op het oog heeft en wie zichzelf eigenlijk nog best kan redden? Geen beginnen aan.

Het is de massaliteit en daarmee de anonimiteit die het zo ingewikkeld maakt. Daardoor kan de politiek stellig zijn als het om regelingen in zijn algemeenheid gaat, maar zich in allerlei bochten wringen om jongens als Mauro niet weg te hoeven sturen.

Je zag dat tijdens de EO-serie ook met één van de deelneemsters gebeuren. ‘Allemaal (!) op een eiland zetten met een stolp erover en nooit meer naar omkijken’, zei ze. Totdat ze de leefomstandigheden van illegalen in Griekenland meemaakte en een paar nachtjes bij hen logeerde. ‘Dat kan toch niet, dat een kind zo opgroeit, dat een moeder op straat haar eten bij elkaar moet zoeken.’

Van een anonieme mensenmassa waar je gemakkelijk generaliserend en afstandelijk over kunt spreken, werden vluchtelingen ineens mensen van vlees en bloed. En mensen van vlees en bloed hebben eten nodig, een dak boven hun hoofd, een bed om in te slapen en het liefst ook een arm om hen heen.

23.970 vluchtelingen vroegen vorig jaar asiel aan
en niet allemaal waren ze even onaanzienlijk

Het bijzondere van Jezus’ woorden uit Matteüs 25 is dat het niet over een anonieme mensenmassa gaat en over regelingen in zijn algemeenheid, maar over die persoon die op je weg komt of van wie je weet dat hij/zij zich in je leefwereld bevindt en die je helpen kunt: die hongerige, die dorstige, die zieke, die gevangene, die naakte, die vreemdeling – dát is Jezus die naar je toekomt en je vraagt om uit te delen van datgene wat je zelf ook maar gekregen hebt. Omdat je leeft van genade en zelf ten diepste ook arm en berooid bent.

Wat is mijn verantwoordelijkheid? Niet het vluchtelingenprobleem oplossen; dat is een illusie, net zoals armoede oplossen in het oude Israël een illusie was. God bond het volk op het hart om altijd oog te hebben voor de armen (‘als u iemand uit uw eigen volk – ook dicht bij huis dus – gebrek ziet lijden, dan mag dat u niet koud laten’) om even later nuchter te vervolgen: ‘armen zullen er altijd zijn bij u’ (Deuteronomium 15). Dus niet: los het armoedeprobleem op. Maar: ‘Wees vrijgevig tegenover iedereen in uw land die in armoede leeft of er slecht aan toe is.’

Jezus werd zelf ook zo’n mens van vlees en bloed. En Hij alleen kan werkelijk de nood van de wereld lenigen: ‘Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht’ (Matteüs 11:28).

 

Bron: www.onderweg.nl / auteur: Heleen Sytsma  /  beeld: Masser / flickr.com